donderdag 19 maart 2020

069. Trots op ons






Trots op ons

Dag school.
Dag lokaal.
Dag kast met mooie boeken.
Dag vergeten drinkbekers.
Dag bord met doelen voor gisteren.
Dag leeg plein met rommelige zandbak.
Dag alles ....
Tot ziens.

Ineens was alles anders. Ineens moesten we roeien met nog kleinere riemen.
Afgelopen vrijdag ging de klas naar huis en ik voelde al iets. Ik nam afscheid met een “tot ziens” in plaats van het gebruikelijke “tot dinsdag”. Niet eens bewust. Sommigen hadden het door. Ik zag het. Ze zeiden het niet. Ik lachte het wat weg.
En laat in het weekend kregen we het bericht dat de scholen op maandag niet open zouden gaan. Steek in de maag, beetje paniek, even peinzen en aan de slag. Als je, zoals ik, niet van verrassende nieuwe dingen houdt een overrompelend bericht.

Veel WhatsApp verkeer later kwamen we maandag als team bij elkaar. Letterlijk op afstand van elkaar en een aantal collega’s via Skype. Dat was raar en vertrouwd. Dat was vreemd en goed. En in ons team wordt over van alles gediscussieerd. Soms te lang en te gedetailleerd ….. maar nu niet. Ineens waren we een eenheid. Samen hebben we die dag bergen verzet. Aan het eind van de dag waren we er allemaal twijfelend klaar voor. En dinsdagmorgen gingen onze digitale klassen al open. De kinderen stroomden al snel toe. 

We hebben ervoor gekozen om veel herhalingstaken klaar te zetten (nieuwe dingen uitleggen doen we maar even niet). Maar niet teveel. Niet doceren, wel doseren. De kinderen zijn al bekend met digitale leeromgevingen en ik ga er, een beetje gedwongen door de omstandigheden, ook aan wennen. De kinderen hebben een lieve brief van ons gekregen en we hebben ze een hart onder de riem gestoken. We hebben ook een filmpje voor ze gemaakt waarin we zeggen dat we er gewoon zijn. 
De ouders reageren hartverwarmend. Ze waarderen onze inzet en laten dat ook weten. 

Gisteren (dinsdag) was ik voor het laatst op school. Ik had oppasdienst en heb met mijn 2 parallelcollega’s een script voor de afscheidsfilm (groep 8) in de grondverf gezet. Deels omdat we dat wilden en deels omdat het een vertrouwde, leuke klus is. Daar waren we aan toe. We zaten alle drie weer verspreid over het lokaal. 
Naar huis gaan was even slikken. Wanneer kom ik weer terug? Hoe lang gaat dit duren? Wanneer zien we elkaar weer? Ik schreef thuis bovenstaand gedichtje. Een beetje verdrietig. 

En toen gebeurde het ……….

Ik opende Facebook en Twitter en werd overweldigd door alle initiatieven, ideeën en positieve berichten van onderwijscollega’s. We hebben ineens laten zien zoveel draagkracht te hebben.
Daar waar we vaak mopperen op elkaar en drammerige meningen hebben zijn we nu ineens samen bezig het beste te zoeken en vinden. We wisselen tips uit en we helpen elkaar.
Ook is het fijn dat aanbieders en uitgeverijen de software open gooien en iedereen de kans geven aan de slag te gaan. 
Het aantal initiatieven is overrompelend. 

We moeten opletten dat we niet op de details gaan zitten. De grote lijn is duidelijk. Onderwijs is voor mij, als je alle ruis afpelt,  niet meer dan een leerkracht en een groep kinderen. Die basis is eigenlijk onveranderd. Neem dat als startpunt.

We weten niet hoe lang het gaat duren. 
We weten niet wat er gaat gebeuren. 
We weten nog zo weinig.
We maken allemaal nieuwe dingen mee.
Maar we komen er wel uit …. samen.
Dat weet ik zeker.
Dat is mijn houvast.

Bertus Meijer
Onderwijsenzo
Maart 2020 



dinsdag 25 februari 2020

068. Het negende gebod van Stijn: "Wees bezeten van uw vak"

 

De tien geboden van Stijn de Paepe.
Nummer 9: Wees bezeten door uw vak 
 

Stijn de Paepe noemt zich een moderne Vlaamse rederijker. Sinds september 2016 schrijft hij dagelijks een dagvers in de Vlaamse krant “De Morgen”. Onlangs bestond het vers uit tien geboden voor het onderwijs. In deze reeks columns licht ik er steeds eentje uit.

Vandaag nummer 9: “Wees bezeten door uw vak.”

In dit gebod zijn twee woorden te vinden die aandacht verdienen; bezeten en vak.

Bezeten:
Ik kom op internet een aantal betekenissen tegen: idioot, driftig, manisch, panisch, fanatiek, geschift, maniakaal, stapelgek, doldriftig, verkikkerd, waanzinnig, krankzinnig en hartstochtelijk. (1)
Ik geloof niet dat dit erg positieve omschrijvingen zijn. Zou de schrijver echt willen dat ik manisch, panisch en krankzinnig ben van mijn vak? Ik denk het niet. Ik hoop het niet.
Ik verzet me altijd tegen mensen die het vak als een roeping zien. Die alles doen voor hun kindjes. Zelfs voor niets. 
Die insteek is weinig professioneel en koren op de molen van politici. Die sneutjes doen het zelfs voor niets ….. met hun salariseisen. Onderwijs als betaalde vrijwilligersbaan. Dat moeten we collectief niet willen.
En een roeping is het ook niet. Het is gewoon werk. Werk dat ik met 100% inzet doe (mensen die 200 zeggen kunnen niet rekenen en mogen alleen al om die reden al niet voor de klas), maar met mijn roeping doet mijn hypotheekverstrekker niets. En geef hem eens ongelijk.

Maar een zekere andere bezetenheid moet er wel zijn. De ontwikkelingen gaan snel. Soms goed en soms slecht. Soms effectief en soms ineffectief. Soms traditioneel en soms vernieuwend. Soms kansen vergrotend en soms desastreus voor gelijke kansen.
Ik probeer, ook voor Onderwijsenzo, de actuele ontwikkelingen bij te houden. En ik moet zeggen dat dat een klus is. Mijn belangrijkste bron van informatie is Twitter. Daar worden veel onderzoeken, actualiteiten en artikelen gedeeld. De toon is soms hard en onredelijk. Prik daar doorheen en je hebt een schat aan informatie. Informatie om je vak te verbeteren.
In die zin heb ik een zekere bezetenheid. Een professionele bezetenheid in plaats van de eerder genoemde roeping-gestuurde bezetenheid. Een gezonde bezetenheid die mij en de kinderen hopelijk iets oplevert. 

Vak:
Ook hier vind ik meerdere betekenissen: beroep, baan, job, ambacht, schoolvak, leervak.
Meer gezonde betekenissen dan ik vond bij bezetenheid. Het woord ambacht spreekt mij altijd zeer aan.

Een ambacht:
“Ambacht is het met de hand maken van producten en goederen. Anders dan bij industriële productie worden ambachtelijke producten elk per stuk met machines en handgereedschap gemaakt. Geen voorwerp is precies hetzelfde omdat er altijd afwijkingen ontstaan. Wie ambachtelijke producten maakt, werkt met zijn of haar handen. Het werken met de hand is tijdrovend en kostbaar, omdat de producten niet in groten getale uit een machine rollen. Zij worden elk per stuk gemaakt.”
De insteek van deze definitie is gericht op producten. Zie de les als een product van de meester en je ziet veel moois.
De lessen worden per stuk gemaakt. Iedere les weeg je af en denk je na. Wat is goed voor de kinderen, waar help ik ze mee verder, hoe controleer ik dat, welke stappen neem ik daarna? 
Geen kind is hetzelfde. Daar hou je als ambachtsman (-vrouw) rekening mee. Het is handwerk. Daar komen de mooiste werkstukken uit, want ze zijn met liefde gemaakt. Je ziet als buitenstaander dat het geen lopende bandwerk is. Want vakmanschap is meesterschap.

Vakmanschap is meesterschap. Vroeger (ok, boomer) werd dat gewaardeerd. Een vakman had aanzien. Geen mens zou het in zijn hoofd halen de ambachtelijk werkende meubelmaker te bekritiseren op zijn meesterstuk. Want het is een meesterstuk dat wij dagelijks afleveren (excuses aan alle vrouwelijke leerkrachten. Uiteraard bedoel ik jullie ook, maar juffenstuk is een beetje een mal woord). 
De huidige waardering voor de meesterstukken die wij dagelijks afleveren is wel heel laag. Ik heb dan over de reacties die je soms op internet krijgt, de waardering door de politici en de benadering door sommige ouders. We liggen echt op heel veel fronten onder vuur.
Ons meesterstuk staat onder constante druk. 
Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar onder druk lever ik niet de beste prestaties. Ik ga fouten maken, ik ga me haasten en dingen vergeten. Mijn meesterstuk is soms een flodderwerkje ….. een wankel IKEA kastje.

Nu kunnen we wachten en zeuren hierover, maar we kunnen ook proberen zelf ons vakmanschap terug te grijpen. Want we hebben best zaken uit handen gegeven. 
Dat verdienen we, maar het schept ook verplichtingen.
Ik zal met het laatste beginnen. Eerder in dit stuk schreef ik dat je een zekere bezetenheid moet hebben om de laatste ontwikkelingen bij te houden. Daar schort het best nogal aan. Ik weet waar ik het over heb. Mijn genoemde professionele bezetenheid is ook iets van de laatste vijf jaar. Voor die tijd heb ik lang een beetje aangerommeld. Wil je je vak professioneel verstaan dan zal je echt moeten weten wat er speelt. Ook al is het veel. Noblesse oblige. Als je voor vol aangezien wilt worden zul je je voor vol moeten gedragen. 

Dan laten we zien dat we het ook echt verdienen. Dat we een beter salaris verdienen, dat we een normale werkdruk verdienen, dat we betere voorwaarden verdienen ……. Dat de huidige situatie niet gezond is voor welke betrokkene dan ook. 
Zodat we tegen iedereen kunnen zeggen; “Vak you, als je mij niet serieus neemt. Want vakmanschap is meesterschap.”

Bertus Meijer / Onderwijsenzo
Februari 2020

Literatuur:


donderdag 20 februari 2020

067. Voorlezen, een zinvolle tijdvuller


 

VOORLEZEN, EEN ZINVOLLE TIJDVULLER
Make it a rule never to give a child a book you would not read yourself
George Bernard Shaw

Het is vakantie. Voor een hartstochtelijk lezer een heerlijke tijd. Ik lees graag romans die met boeken en lezen te maken hebben. Zo ontdekte ik pas het boek “De lessen van meneer Picquier” van Mark Roger. (1)
Het gaat over een oudere man die vroeger eigenaar was van een boekwinkel. Hij zit nu in een verzorgingstehuis en er ontstaat een vriendschap met de jonge Gregoire. Gregoire blijkt een begenadigd voorlezer. De jonge voorlezer krijgt al doende een aantal belangrijke levenslessen mee.
Ze bestaan dus …. beroepsmatige voorlezers. Was ik dat maar geworden. Wist ik dat maar eerder. Een heerlijke introverte bezigheid die extravert lijkt. Mij op het lijf geschreven. Mensen bespelen en zelf op veilige afstand blijven. Zoiets als de fotograaf op feestjes zijn.
Ik ken mijn beperkingen en mijn sterke kanten. Mijn gymlessen zijn gezellig. Ze bewegen allemaal en dat is het wel. Mijn zangstem is niet geweldig en ik leef op YouTube. Maar .....
klassen tot rust brengen met mijn stem en een goed verhaal laten leven is een sterke kant. Ik ben een voorlezer. Ik ben Gregoire. 
Ik lees natuurlijk al tientallen jaren iedere dag voor. Dus verdien ik er een deel van mijn geld mee. Maar ik snuffel de laatste tijd aan andere mogelijkheden. Boeken inspreken, voice-over werk en andere zaken. 

Toen ik op de pedagogische academie zat was voorlezen het eerste dat je mocht doen als je stage ging lopen in het eerste jaar. Na drie weken mocht ik ook. Op van de zenuwen, thuis voor de spiegel en ouders geoefend. En het werd een onvergetelijke ramp. Ik raffelde de tekst in anderhalve minuut af. Het was een Bijbelverhaal. Weet niet eens meer welk verhaal.
Voorlezen werd op de opleiding gezien wat je wel even deed. Om te wennen aan een groep. Als vers student. Nee dus. 
De manier waarop ik nu voorlees is het resultaat van jaren schaven en verbeteren. Van honderden vlieguren maken en doorzetten.

Dat wat ik al doende leerde staat in het boek van Meneer Picquier. De schrijver heeft woorden gegeven aan mijn leerproces.

Ik zal een aantal van de tips hieronder delen. De insteek is anders dan de bekende lijstjes met snelle tips. Maar ze raken voor mij de kern en de kracht van voorlezen. 

-       “De kunst van het lezen voor publiek is de tekst te laten horen als het de eerste keer is.” (pag 44) (1)
Soms veins ik verrassing. Ik leg in mijn toon een verbazing over wat er nu toch allemaal weer met Stach gebeurt. Ook al ken ik de tekst inmiddels bijna uit mijn hoofd. Mijn verbazing maakt de luisteraar nieuwsgierig. We gaan met elkaar op avontuur. Ik laat me blijkbaar ook verrassen. De meester is voorlezer en luisteraar tegelijk. 

-        ‘Eigenlijk moet je dus bluffen; ik moet foutloos lezen en toch klinken alsof ik de tekst net ontdek” (pag 44) (1)
De momenten waarop het voorlezen niet lekker liep waren de momenten waarop ik plompverloren met een tekst op schoot begon. Om enkele verloren minuten te vullen. Zonder de tekst eerst gelezen te hebben. De tekst kwam redelijk vlekkeloos mijn mond uit. Maar ik moest de tekst zelf nog zoeken. Ik aarzelde ongemerkt omdat ik niet wist waar de schrijver heen wilde. De kinderen voelden dat en de aandacht verslapte.
Die aandacht is toch een wonder. Denk eens in; alleen met je stem en een goed verhaal breng je een dertigtal kinderen in een andere wereld. Een andere werkelijkheid. En het mooie is dat ieder kind zijn eigen verhaal maakt. Jij reikt aan. Jij geeft hen die gelegenheid. Hoe beter je dat doet, hoe mooier het verhaal wordt.

-       “Nooit beginnen voordat je gehoor zich heeft geïnstalleerd.” (pag 55) (1)
Voorlezen als rustbrenger. In mijn beginjaren begon ik weleens met voorlezen terwijl de klas nog onrustig was. Ze werden stil maar je voelde dat ze niet echt in het verhaal zaten. Het leefde niet. Ze hadden iets gemist. Een beginritueel (bij mij is dat op de kruk gaan zitten en de mok koffie naast me neerzetten. Altijd. Als ik dat doe weten ze wat er gaat gebeuren) en een deel van het verhaal. 

-       “Zonder repertoire is een mooie stem niets waard. Het repertoire maakt de lezer.” (pag 74) (1)
Een goed stemacteur weet dat een mooie stem bijzaak is. Het gaat erom dat je de boodschap van de opdrachtgever weet over te brengen. Dat is je doel. De stem is een middel. Je staat in dienst van de opdrachtgever. Je staat in dienst van het boek. De boodschap leest de toehoorder niet zelf maar moet jij aanreiken.

-       “Had ik de tekst tot leven gebracht zonder teveel plaats in te nemen?” (pag 76) (1)
Omdat je in dienst staat van de tekst moet je zelf niet te veel plek innemen. Wees karig met het gebruik van stemmetjes. Ten eerste is het knap vermoeiend maar je loopt ook grote kans de fout in te gaan en de verkeerde stem op de verkeerde plaats te gebruiken. Ik heb ooit de opperheks uit “De heksen” een schitterende kraakstem gegeven. Ik wist alleen niet dat ze nog veel te zeggen had. Het deed mijn stem geen goed. Als je goed voorleest hoort de luisteraar de stem zonder deze te horen.

-       “Begin met het verkennen van je eigen voorkeur. Je kunt alleen goed voorlezen wat je mooi vindt.”(pag 74) (1)
In de loop der jaren heb ik een vast repertoire aan voorleesboeken opgebouwd. Klassiekers als De Heksen (Roald Dahl) en Matilda van dezelfde schrijver doen het natuurlijk altijd goed. Deze boeken zitten in mijn systeem. Maar ook een recent boek als Lampje is een prachtig boek om voor te lezen. Ik ken het verhaal en kan in mijn stem klemtonen leggen die later in het verhaal van belang blijken te zijn.
Soms pak ik een boek en het lijkt al lezende een goed voorleesboek te zijn. Maar al doende bleek het voor mij en dus voor de kinderen een vervelend, langdradig verhaal te zijn. Dan stop ik. Voor de kinderen die het verhaal wel waarderen laat ik het boek als stilleesboek liggen.

-       “……de transparante voorlezer, die met lichaam en ziel verdwijnt in de woorden die hij uitspreekt. Alleen het boek moet stralen.” (pag 76) (1)
Het is tegenwoordig in om interactief voor te lezen. “Bij interactief voorlezen ga je met de kinderen in gesprek over het boek. Dit doe je vooraf, tijdens en achteraf.” (2) 
Het streven is nobel: een kind ontwikkelt zijn (mondelinge) taalvaardigheden, herkennen situaties uit het dagelijks leven en zal daarover vertellen. Maar het haalt, zeker tijdens het verhaal, de magie en de vaart eruit. Je haalt de kinderen uit hun zelf gecreëerde wereld met je vragen. Soms willen ze daar helemaal niet mee aan de gang. Doe het achteraf. En alleen dan. Soms.

-       “Niet alleen ontstaat er een genegenheid tussen de voorlezer en zijn gehoor, maar het moment van het lezen zelf leidt tot een saamhorig luisteren.” (pag 188) (1)
Voorlezen heeft ook een niet uit te vlakken sociaal aspect. Je maakt gezamenlijk iets spannends, leuks, verdrietigs of vrolijks mee. Je ziet hoe de anderen daarop reageren. Je merkt hoe je er zelf mee omgaat. En dat is de veilige setting van de klas bij je eigen leerkracht met je eigen vrienden om je heen. Dan is het niet erg als je verdrietig bent omdat Akkie doodgaat. Dan mag je blij zijn als Matilda de Bulstronk verslaat. Dan zie je dat je niet alleen staat. Ik geloof echt in deze kracht van verhalen in deze. Meer dan in SOVA mapjes met een wekelijks lesje met energizende oefeningen die voor kinderen uit de lucht komen vallen.

-       “Onthoud dat luisteren zwaar werk is” (pag 78) (1)
Eigenlijk vragen we veel van de kinderen. Ze horen voor de eerste keer een tekst. Moeten deze meteen begrijpen en duiden. Even terugbladeren gaat niet. Soms wordt er een taalgebruik gehanteerd dat ver van hun eigen thuistaal afstaat. Dat is zwaar werk. 
Gerrit Komrij zei al: Van alle redenen om een boek te lezen is plezier wel het meest in ongenade geraakt.”

Laten we ze voorlezen en voorleven. Elke dag weer. Voorleven dat verhalen (voor)lezen leuk is, leerzaam is en gedachten en ideeën kunnen laten wankelen. Dat is al doel genoeg.

Bertus Meijer / Onderwijsenzo
Februari 2020

Literatuur:
1.     De lessen van meneer Picquier – Mark Roger 
Uitgeverij A.W. Bruna te Amsterdam
2020
ISBN 978 940 051 170 5




zaterdag 15 februari 2020

066. Het achtste gebod van Stijn: "Geef maar les. Moet niet ludiek zijn"


De tien geboden van Stijn de Paepe.
Nummer 8: Geef maar les. Moet niet ludiek zijn 



Stijn de Paepe noemt zich een moderne Vlaamse rederijker. Sinds september 2016 schrijft hij dagelijks een dagvers in de Vlaamse krant “De Morgen”. Onlangs bestond het vers uit tien geboden voor het onderwijs. In deze reeks columns licht ik er steeds eentje uit.



Vandaag nummer 8: Geef maar les. Moet niet ludiek zijn.

Sommige woorden zijn grappig. In de klank zit de betekenis.
Ludiek bijvoorbeeld. Dat woord vind ik grappig klinken. Herhaal het woord maar eens. Hoor je het ook? 
Betekenis“ Ludiek, van het Franse ludique, betekent 'speels'. De term wordt voornamelijk gebruikt om aan te geven dat een anders ernstige zaak op een speelse manier wordt uitgevoerd. Zo zal een ludieke actie (demonstratie) opvallend zijn en spraakmakend op een positieve manier.”(1)
Het is een beetje de pil vergulden. Iets dat niet zo leuk is moet “opgeleukt” worden om het allemaal een beetje draaglijk te maken. Anders is het allemaal echt niet te verteren.
Enkele voorbeelden:
·      Het gedicht bij een Sinterklaassurprise is een ludieke manier om kritiek op de ontvanger te verpakken. Hij moet er doorgaans als een boer met kiespijn om lachen.
·      In de jaren ’60 werden acties als zijn ludiek aangekondigd. De kans op rellen was dan kleiner.
·      Het journaal werd vroeger gelezen door een nette meneer met een nooit rinkelende telefoon naast zich aan een bureau. Tegenwoordig zien we druk lopende mensen in een fonkelende studio met kekke swipeschermen. Het nieuws uit Syrië blijft helaas net zo ondraaglijk. 

Ook in het onderwijs weten we er wel raad mee. De eerste stakingsdag toen we met 60000 man op het Zuiderpark stonden (deze dag is overigens nooit meer overtroffen) stonden velen de haka te dansen met van die gezellige vakbondspetjes op en kolderieke sjaaltjes om. We pakten onze serieuze en schurende boodschap ludiek in. Geschminkt en wel. Neem dat maar eens serieus. Ik zou het als minister niet doen.
Gelukkig is het besef inmiddels doorgedrongen dat we met ludiek geen extra beleg op onze boterham verdienen. De acties zijn serieuzer geworden. De boodschap is schurender geworden. Ik denk dat als we, met de huidige stemming in het onderwijs, weer zo’n grote centrale actie op poten zetten iets indrukwekkends neer kunnen zetten. Dus …..

Maar het ludiekheidsvirus is ook op kleinere schaal in het onderwijs merkbaar.
Studiedagen zijn niet geslaagd als de extraverten niet aan bod komen met hun energizers, post its en samen-zijn-we-zo-sterk werkvormen. De inhoud is vaak ondergeschikt aan de ludieke vorm. Vraag op het eind hoe de dag was en je zal eerder “leuk” horen dan “leerzaam”. De column van Marit de Roij over de tirannie van de extraverten is mij ook uit het hart gegrepen. De drammerigheid waarmee we met dit soort leuke bedoelde werkvormen en rollenspelen worden lastig gevallen is ergerlijk. Een tegengeluid wordt doorgaans in de kiem gesmoord. Andersdenkenden in deze worden wat lacherig weggewuifd. En omdat ze introvert zijn hoor je ze toch al niet zo snel. Ze moeten al een hindernis nemen. (2)

Ook in de klas is ludiek een toverwoord. We doen een heleboel zaken omdat ze leuk zijn of omdat we vervelende zaken als dingen leren willen opleuken.
Op Facebook lees ik vaak oproepen als: “Ik ga de tafel van 6 morgen aanleren. Wie heeft er tips om dit leuk te brengen. Ik ben inspiratieloos.” Inspiratieloos. Het woord is al om te huilen. 
Ooit zei een stagiaire in mijn groep: “Vandaag gaan we de verleden tijd herhalen. Dat is saai. Ik weet het en ik vind dat ook. Let dus goed op, want dan is het snel voorbij.” (inzetten op extrinsieke motivatie)  Dat laatste klinkt als de woorden van een tandarts vlak voor een wortelkanaalbehandeling. Ik heb haar daarna aangesproken hierover en denk dat ze het nooit meer zal zeggen. Althans niet in mijn bijzijn. 

Als je alles steeds leuk en ludiek wilt maken neem je eigenlijk de basis van je vak niet serieus. De kern (kinderen zaken leren) is blijkbaar zo vreselijk dat de boel leuk gemaakt dient te worden. De pil moet verguld worden. Een pruillipje voelt ongemakkelijk. 

Martin Ringenaldus twitterde op 24 april 2019: “De les is leuk …… als in “Ik heb iets geleerd.” Het komt gewoonweg niet meer bij ons op dat een les leuk kan zijn als kinderen nadien het besef hebben dat ze iets nieuws hebben geleerd. Als ze met enige inspanning en momenten van “ik vind dit saai” door hebben gezet en nadien kunnen zeggen dat ze trots zijn omdat ze hebben geleerd hoe de staartdeling in elkaar zit of hoe je het voltooid deelwoord schrijft. Ik ben momenteel bezig met de opleiding stemacteur. Dat is eindeloos oefenen, eindeloos dezelfde tekst herhalen. Ik, een microfoon en een vel met tekst. En ineens luister ik terug en hoor dat ik letterlijk de goede toon te pakken had. Mijn oefendips verdwijnen en ik ben trots en blij. Ik heb iets nieuws geleerd. Vallen en opstaan …. Vallen en opstaan. Zo hebben de kinderen ook leren lopen en praten. 

Ik bood mijn stagiaire een alternatief: “Vandaag gaan we de verleden tijd herhalen. We gaan er samen mee aan de slag. Ik doe voor, we doen het samen en daarna kun je het alleen. Op het eind gaan we samen kijken of het lukt. We gaan er samen tegenaan.” (inzetten op intrinsieke motivatie). Ik ben er namelijk van overtuigd dat alle kinderen graag nieuwe dingen leren. Gewoon …… omdat ze dat willen. Pak dat goed aan en je hoeft de boel niet leuker te maken dan dat al is. 

Bertus Meijer / Onderwijsenzo
Februari 2020
Literatuur:


dinsdag 21 januari 2020

065. Ik bepaal het zelf wel





Ik lees dingen …..
OP DEZE NIEUWE SCHOOL KUN JE ZELF BEPALEN 
HOE LAAT JE KOMT.

Op 19 januari 2020 verschijnt er op de website van het Algemeen Dagblad een artikel met als titel: “Op deze school kun je zelf bepalen hoe laat je komt!: Kinderen moeten veel te veel.”  (1) Ik ben benieuwd naar de inhoud van deze stellingname en, vooral, de onderbouwing. 

In het kort komt het hierop neer: “Initiatiefnemers van een nieuwe school in Rotterdam-Oost willen het helemaal anders doen, onder andere met flexibele schooltijden. In augustus 2020 opent Klein Rotterdam zijn deuren.” (1)

De initiatiefnemers vinden dat kinderen te weinig kunnen kiezen. Er volgt een opsomming van dingen waar ze geen invloed op hebben: schooltijden, lesdoelen, waar ze leren, met wie ze leren, wanneer ze mogen eten en wanneer ze naar buiten mogen. 
Op hun nieuwe school gaan ze het helemaal anders doen. Het ministerie heeft op 7 januari toestemming gegeven. 

Enkele citaten uit het artikel:
“Ik zag dat kinderen steeds minder gemotiveerd werden’’, zegt Zuiddam (52), die in Rotterdam jarenlang als leraar en directeur op verschillende scholen werkte. ,,Velen lopen uiteindelijk vast in het onderwijssysteem. Er wordt zo veel voor de kinderen bepaald, zoals het moment dat ze mogen bewegen en wanneer ze naar buiten mogen. Terwijl sommigen veel meer behoefte hebben aan beweging. Wij vinden: per kind moet gekeken worden naar wat het nodig heeft.’’
Hier staan enkele boude, niet onderbouwde zaken. Als je stelt dat velen vastlopen in het onderwijssysteem kun je je twee dingen afvragen:
1.     Is dat zo? Kan de heer Zuiddam dat onderbouwen met cijfers?
2.     Als kinderen vastlopen moet je je ook afvragen of dat altijd komt door het onderwijssysteem. Deze woordkeuze in het citaat suggereert van wel, maar met suggesties kan ik niet veel. Ik mis weer een onderbouwing.
3.     Voorts wordt, wederom zonder het zeggen, gesuggereerd dat het vastlopen van kinderen wordt veroorzaakt door het feit dat ze zelf te weinig invloed hebben op alledaagse zaken als buitenspeeltijden en dergelijke. En wederom geen onderbouwing. Het blijft in kretologie hangen. Kretologie waar je nietsvermoedende ouders met gemak over de streep trekt. 

Stefanie Langelaar (39), leerkracht en pedagoog, ervoer dat bij haar eigen kinderen. ,,Mijn zoon was op school bijvoorbeeld een beetje een dromer. Toen hij naar de middelbare school ging, lag het tempo ineens heel hoog. Hij kreeg kriebels in zijn voeten van het stilzitten. Van kinderen worden heel veel vaardigheden verwacht. Voor hem was dat te veel. Hij raakte gefrustreerd, ging echt met tegenzin naar school.’’

We hebben eerder vernieuwende schoolconcepten zien mislukken omdat ze gebaseerd zijn op anekdotisch bewijs. Het mooiste (?) voorbeeld is de iPad school die door Maurice de Hond is opgestart nadat bleek dat zijn dochter wel erg goed kon swipen en pinchen en zo. Een onderzoeksgroep van 1 à 2 is wel een erg wankele basis om een onderwijsexperiment (want dat is het) op te starten en goed te praten.

Het is belangrijk dat kinderen zelf kunnen kiezen wat ze op welk moment willen doen, vinden de drie. Want, iedereen heeft behoefte aan autonomie. Vanuit eigen nieuwsgierigheid leren: de initiatiefnemers zijn ervan overtuigd dat de leerlingen op die manier zelfs meer tot zich kunnen nemen.

De initiatiefnemers zijn ergens van overtuigd. Hiermee geven ze aan dat een degelijke onderbouwing dus ontbreekt. En met deze overtuiging wordt een school op poten gezet. Ik ben, zoals vaker gezegd, blij dat men bij mij niet heeft gewacht op mijn nieuwsgierigheid. Het geheel was op een drama uitgelopen. Maar dat was in deze visie weer niet erg. Want dan zal het er wel niet in hebben gezeten. Alsof ik een trommeltje met koekjes ben. 

Hoe dat er in de praktijk uitziet? De lessen vinden niet in een lokaal plaats, maar in een ‘huiskamer’. Een zogenoemde groepscoach opent de dag met zijn of haar ‘basisgroep’ om 09.30 uur. Tot 14.30 uur zijn er onderwijsactiviteiten. ,,We houden rekening met het bioritme’’, zegt Zuiddam. ,,Niet alle kinderen zijn om 08.30 uur al in staat om les volgens instructie te krijgen of een toets te maken
.’’
Waarom is er zoveel moeite met de gescheiden werelden van school en thuis. Ze worden in een huiskamer gezet. Die kinderen zijn niet achterlijk. Ze weten drommels goed dat ze gewoon in een school zijn. Met je huiskamer…..
Voorts ervaar ik het label coach als een enorme uitholling van mijn vakmanschap. Los van het feit dat ik het niet ben.
Volgens het woordenboek is een coach: “Iemand die als beroep adviezen en begeleiding geeft.” (2) Vlieg een eind op met je adviezen. Ik geef les, activeer voorkennis en bouw daarop voort, ik leer ze omgaan met de ander (jazeker, ik sta niet de hele dag frontaal kennis rond te strooien. Een karikatuur waar ik me inmiddels ook steeds meer aan ga storen) en vergroot hun wereld en horizon. En dat ook nog eens op prettige manier. Hoewel de zwart-witten aan de overzijde mij weleens het gevoel geven dat ik al 37 jaar kinderen in een keurslijf drijf. 
Over bioritme wil ik het niet hebben. Ik weet er te weinig van. Ik kom het bij de kapper weleens tegen in een oud nummer van Happinez.

“Maar wij vinden wel: school moet leuk zijn. Dat evenwicht is er nu niet.”
Het duurde even, maar daar is hij weer; de leukheidsmantra. School moet leuk zijn.
Blijkbaar is school nu niet leuk. Ik kan hier uren over mekkeren maar ik zal het kort houden. Ten eerste vraag ik me af of school nu echt niet leuk is. Ik denk dat de meeste kinderen het prima naar hun zin hebben. Er zijn kinderen die school niet leuk vinden. Dan moet je je in eerste instantie afvragen of dat gevoel veroorzaakt wordt door school of dat er ook andere factoren een rol spelen. 
Ten tweede moet je je afvragen of niet-leuk af en toe niet erg is. Ik moet vandaag een ontzettend vervelend hypotheekgesprek met mijn bank voeren. Totaal niet-leuk. Maar het levert me wel op dat ik mijn land kan uitbreiden. Als kinderen weten wat het doel is van bepaalde zaken zullen ze zich makkelijker over hun ongemakkelijke gevoelens van onbehagen heen zetten. In die zin ben ik het eens met de drie initiatiefnemers. Onderwijs dient een voor kinderen duidelijk doel te hebben. Daar schort het weleens aan. 

Dat ik geen voorstander ben van dit soort malle stokpaardjes-fratsen is, denk ik, inmiddels bekend. Maar ik probeer met open vizier te kijken. Wat me dan doorgaans helaas opvalt is de knullige onderbouwing van dit soort zaken. De onderzoeken hebben een minieme onderzoeksgroep, of zijn als geheel afwezig. Er wordt teveel gewerkt met aannames. Dat is goed voor een bakker die een nieuw soort brood wil proberen, maar voor ons vak echt “not done”.

Ik herhaal dat kinderen in hun leven maar een enkele kans krijgen op goed onderwijs. Dat onderwijs moet dus meteen goed zijn. En daar heb ik hier, mild gezegd, zeer ernstige twijfels bij. Totaal vernieuwende concepten mislukken nagenoeg altijd. Onderwijs verbeteren dient het devies te zijn. Uitgaan van dat wat al werkt en hier rustig aan de knoppen draaien om bij te sturen, te verbeteren en winst te behalen. Wanneer leren we eens dat experimenteren met kinderen (want dat is het) uit den boze is. Daarvoor is het laboratoriummateriaal te kostbaar. 

Bertus Meijer / Onderwijsenzo
Januari 2020

Literatuur